Leen
onzijdig (het)/len/
Wat is de betekenis van Leen?
Leen betekent: (leenstelsel) onroerend goed (bijv. land, ambt of geldelijke inkomsten) dat door de leenheer voor genot en gebruik werd uitgeleend aan de vazal, in ruil voor een verplichting van persoonlijke trouw, militaire bijstand en belastinginkomsten
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (leenstelsel) onroerend goed (bijv. land, ambt of geldelijke inkomsten) dat door de leenheer voor genot en gebruik werd uitgeleend aan de vazal, in ruil voor een verplichting van persoonlijke trouw, militaire bijstand en belastinginkomsten
- (economie) ontvangen goed voor tijdelijk gebruik; lening
- te ~: tijdelijk aan een ander dan de eigenaar in handen gegeven
Voorbeelden van "Leen" in een zin
- Vlaanderen was eerst een leen van het Franse Rijk, later van het Duitse.
- Hij had dit boek al enige tijd te leen.
Etymologie
* Middelnederlands ‘leengoed, lening’, ontwikkeld uit Oergermaans *laih(w)na-, afgeleid uit de Indo-Europese wortel *leikʷ- ‘overlaten’, waartoe ook behoren Oudiers -léici ‘laten gaan’, airlicud ‘lenen’, Latijn linquere ‘verlaten’, Oudgrieks leípein ‘ver-, achterlaten’ en Litouws laikýti ‘houden’. Evenals Duits Lehen ‘leengoed’, Fries lien en Zweeds lån ‘lening’.
Vertalingen
Engelsfief
Fransfief
DuitsLehen
Spaansfeudo
Italiaansfeudo
Portugeesfeudo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek