Leeuwerik

mannelijk (de)/ˈlewəˌrɪk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zangvogels (zangvogels) benaming voor vogels uit de familie die melodieuze zang voortbrengen tijdens het vliegen
    Ik hoorde laatst een leeuwerik vliegen.
    Er hadden in deze troosteloze woestenij eens koeien en schapen gelopen, toen groeiden er ook nog bomen en bloemen en struiken. Dat was allemaal verdwenen, samen met de dieren: de bijen, de veldmuizen en de leeuwerik die zo hoog mogelijk naar de zon probeerde te klimmen. {{Aut|Herzen, Frank

Etymologie

*Afkomstig van Middelnederlands le(e)werke, lawerke, liewerke, uit Oergermaans *laiwarikō, bijvorm met grammatische wisseling van *laiwazikō, uitbreiding of verkleinwoord van *laiwaz, geattesteerd in de leenworden Fins leivo en Estnisch lõo. Verdere etymologie unbekent. Evenals Nederduits Leverk(e), Duits Lerche, Fries gewestelijk larts(e), lòrts(e), lerts, Engels lark en Schots laveirk, laverok.

Vertalingen

Engelslark
Fransalouette
DuitsLerche
Spaansalondra
Italiaansallodola, lodola
Portugeescotovia
Russischжаворонок
Turkstoygar, tarlakuşu
Poolsskowronek