leeuweriken

/plaatshouder taxonomie/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zangvogels (zangvogels) een familie uit de orde van zangvogels (). De familie kent rond de 100 soorten. Door hun eenvoudig aardekleurig gestreept verenpak, dat bij beide geslachten vaak gelijk is, vallen ze nauwelijks op. Sommige soorten hebben een zwart-witte tekening. Ook hebben ze een kuif van veren, die ze opzetten tijdens de balts en het zingen. Leeuweriken hebben vrij lange vleugels

Etymologie

* "leeuwerik" met de uitgang -en