Lente

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈlɛntə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. eerste jaargetijde, een van de vier seizoenen
    In de lente worden de dagen steeds langer.
    De lente, die ik maanden geleden in de hete woestijn had meegemaakt, begon nu pas in de bergen.
    Pierewiet. Pierewiet. Het lied met pierewiet gaat over een merel in de lente. Dat mag best, nu de lente in het jasje van de herfst is gaan wonen. Samuel heeft geregeld muziektherapie en voor woorden als pierewiet, zeker bij herhaling uitgesproken, kun je hem wakker maken. Mooie, grappige klank. De herhaling van de ie, de rollende r. Hij lacht uitbundig bij een gezongen pierewiet. Nog een keer, dat refrein. En nog eens.

Etymologie

*(erfwoord) van Middelnederlands "lentin",dat kan teruggaan op Protogermaans *langa-tina- "lange dagen" of *langat-īn- "verlenging"

Uitdrukkingen

  • Een nieuwe lente, een nieuw geluid (uit het gedicht mei van Herman Gorter)
  • Een zwaluw maakt de lente niet
  • (...) lentes tellen
  • Zoveel jaar oud zijn.

Vertalingen

Engelsspring
Fransprintemps
DuitsFrühling
Spaansprimavera
Italiaansprimavera
Portugeesprimavera
Russischвесна
Chinees春天
Japans
Koreaans
Arabischالربيع
Turksilkbahar, bahar, ilkyaz
Poolswiosna
Zweedsvår
Deensforår, vår