Luiken
/ˈlœykə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (verouderd) sluitenluik, luikje komt van luiken, en beteekend toe doen: waar van in het vervolg breeder: en soo is een luik anders niet, als dat iets toedekt: soo sijn de luiken voor de glaasen: de luiken van Vaartuigen, en in het besonder de stulpluiken op de luikgaaten niet anders, als stopsels, die op de gaaten geleit, en gestulpt, werden: maar om nu te betoonen, dat luiken toe doen beteekend: daar toe is het bewijs niet verre te haalen: gelijk uit de volgende spreekwijsen blijkt: ik heb mjn oogen niet gelooken: dat is, ik heb mijn oogen niet toegedaan: ik heb gants niet geslaapen,[http://dbnl.org/tekst/wins001seem01_01/wins001seem01_01_0008.php {{Aut|Wigardus à Winschoten
werkwoord
- vlechten
- (scheepvaart), (techniek) maken van touw door dunnere strengen in elkaar te wikkelenHet slaan van de strengen van het touw wordt ook luiken genoemd.
- (techniek) maken van een mand of een stoelzitting door het vlechten van biezen of vergelijkbaar materiaalTegen het ingemetst steenen fornuis zit een oude man een stoel te luiken.
Etymologie
*[B] zwak werkwoord: van Middelnederlands "luken"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek