Luit

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziekinstrument (muziekinstrument) een snaarinstrument met een peervormige resonantiekast en een vlak bovenblad, de hals en kop staan meestal haaks op elkaar
    De luit is een tokkelinstrument.
    Ze had met succes op haar luit gespeeld en zich verzekerd van een echtgenoot uit de stad, een Amsterdammer wiens familie aan de Herengracht op haar wachtte.
    Zing en dans tezamen en wees blij, maar wees ieder alleen, zoals de snaren van een luit op zichzelf zijn, al doortrilt hen dezelfde muziek.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘snaarinstrument’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1300

Vertalingen

Engelslute
Fransluth
DuitsLaute
Russischлютня