Magnolia

mannelijk/vrouwelijk (de)/mɑxˈnolija/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) benaming voor bomen met tulpachtige bloemen uit het geslacht
    De wandelaars stopten om de bloeiende magnolia te bewonderen
    Sinds een paar jaar volg ik met steeds grotere interesse de uitbottende magnolia in de achtertuin.
    In de voortuinen van Drunen beginnen magnolia’s te bloeien.

Etymologie

*(eponiem), van modern Latijn "Magnolia" door de 17e-eeuwse Franse botanist afgeleid van de naam van de 17e-eeuwse Franse botanist ; in de betekenis van ‘plantengeslacht’ voor het eerst aangetroffen in 1831

Vertalingen

Engelsmagnolia
Fransmagnolia
DuitsMagnolien
Spaansmagnolia