Manna

onzijdig (het)/ˈmɑna/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding, religie (voeding) (religie) voedsel dat uit de hemel komt voor de Israëlieten tijdens hun tocht uit Egypte naar Kanaän; het Hebreeuwse woord is 'man'; dat kan in Ex. 16:15 ook worden begrepen als 'wat?' (14×: Ex. 16:15, 16:31 +, Num. 11:6 +, Deut. 8:3 +, Joz. 5:12 +, Ps. 78:24, Neh. 9:20; ook 3× in NT)
  2. plantkunde (plantkunde) pluim-es of manna-es
  3. iets dat men gratis, zonder inspanning heeft gekregen
    Het startkapitaal was dus gratis, manna uit de hemel.

Etymologie

*via Middelnederlands "manna", laat Latijn "manna" en "μάννα" (mánna) van (man), in de betekenis van ‘hemels voedsel’ voor het eerst aangetroffen in 1285

Vertalingen

Engelsmanna
Spaansmaná