manneken
onzijdig (het)/ˈmɑnəkən/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- kleine man; kleine jongen"Hoor," riep een mannenstem in één van de kamers. "Ons manneken is daar. Kom, ventje. Kom bij ons."Moest er iemand aan den Does vragen: "Wilt ge eens gaan kijken of ik niet op de markt ben, manneken," hij zou seffens weg zijn en komen zeggen: "Neen meneer, ik heb u daar niet gezien."
- persoon of voorwerp dat een kunstenaar of kleermaker als model voor het menselijk lichaam gebruiktIneens pakt Delvin Masereels ezel, laat hem op één poot pivoteren, posteert de leerling met z'n rug naar het model en verordonneert: ‘Werk voortaan uit het geheugen, ik verbied u nog naar dat manneken om te kijken, behalve om u te documenteren over de menselijke anatomie.’
Etymologie
* verkleinwoord, afgeleid van man ; dit staat dichter bij de Middelnederlandse vorm "-kijn" dan de later onstane vormen met -ke en -tje
Uitdrukkingen
- kiezen tussen mannekens en wallekens
- [2] : "mannequin" [https://dbnl.org/tekst/beer004woor01_01/beer004woor01_01_0017.php?q=mannekenhl3 "Mannequin" Woordenschat, verklaring van woorden en uitdrukkingen. (1993, facsimile van uitgave 1899) Verba, Hoevelaken]; ; p. 692; geraadpleegd 2019-05-10
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek