mannetje

/ˈmɑnəcə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dier van het mannelijk geslacht
    Het mannetje zoekt een vrouwtje.
    Ze grapte dat ze een zwarte weduwe was die haar mannetje na het paren opat.
  2. iemand van het mannelijk geslacht die tegen betaling klusjes verricht
    'Vroeger had ik een mannetje in dienst om het verkeer op de parkeerplaats te regelen.
  3. getekende menselijke figuur

Etymologie

* afgeleid van man dat verkleinwoorden vormt

Uitdrukkingen

  • zijn mannetje staan: flink zijn, zich laten gelden

Vertalingen

Engelsdwarf
Spaanshombrecillo