Mars
mannelijk/vrouwelijk (de)/mɑrs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (militair) regelmatige manier van lopen met afgemeten passen, vooral gebruikt door soldaten en bij plechtigheden.
- een wandeltocht.
- een mand of bak die op de rug gedragen wordt.
- (scheepvaart) het halfronde platform aan de top van het onderste deel van de mast van een zeilschip.
tussenwerpsel
- militair commando: voorwaarts!, weg!
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘korf van marskramer’ voor het eerst aangetroffen in 1350
Uitdrukkingen
- Veel kunnen.
- Niet veel weten.
- in zijn mars hebben
Vertalingen
Engelsmarch, march, walk
DuitsMarsch, Wanderung, Kiepe
Russischмарш, марш, поход
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek