kanis

vrouwelijk (de)/kanɪs/

Wat is de betekenis van kanis?

kanis betekent: (f) viskorf met deksel

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (f) viskorf met deksel
  2. (f) marskramersmand
  3. (f) mandje om vers geplukte kersen, appels of peren in te verzenden
  4. anatomie (m) (anatomie) platte uitdrukking voor:
  5. hoofd (lichaamsdeel)
  6. mond
  7. lichaam (mens)

Betekenis en uitleg van kanis

Het woord 'kanis' verwijst naar een soort hond, vaak geassocieerd met de kleine en middelgrote rassen. Het wordt vaak gebruikt om een speelse en trouwe viervoeter aan te duiden, die een belangrijke rol kan spelen als huisdier en metgezel.

Je gebruikt het woord 'kanis' meestal in informele gesprekken over honden, vooral wanneer je het hebt over een schattige of levendige hond. Het kan ook een tikkeltje denigrerend worden gebruikt om een hond te beschrijven die niet bijzonder groot of imposant is. Het is een term die vooral in de dagelijkse omgangstaal voorkomt en minder formeel is dan 'hond'.

Voorbeelden

  • Mijn buurman heeft een schattige kanis die altijd in de tuin speelt.
  • Tijdens de wandeling kwam ik een kanis tegen die enthousiast met een bal aan het spelen was.
  • De kanis van mijn vriendin is zo aanhankelijk, ze volgt haar overal in huis.

Woordoorsprong

Het woord 'kanis' is waarschijnlijk afgeleid van het Middelnederlandse 'cane', wat 'hond' betekent, en heeft door de jaren heen een meer informele of schertsendere connotatie gekregen.

Veelgestelde vragen over kanis

Wat is de betekenis van kanis?

kanis betekent: (f) viskorf met deksel

Hoeveel betekenissen heeft kanis?

kanis heeft 7 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft kanis?

kanis is een vrouwelijk (de).

Wat zijn synoniemen van kanis?

Synoniemen van kanis zijn: mars, bol, harses, hoofd, kersenpit.

Etymologie

* In de betekenis van ‘Bargoens: hoofd, kop’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1906

Vertalingen

Engelsnoddle, nut, pate
Franscaboche, gueule, corps
DuitsBirne, Dötz, Rübe