Meerpaal

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) een paal, in het water of op de wal, waaraan de meertouwen van schepen bij het aanleggen worden vastgelegd
    Op de meerpaal zit een meeuw.
    Houten meerpalen weerspiegelden in het water.

Etymologie

* Samenstelling van meer en paal; meer uit Middelnederlands mēre, meere (f) ‘grenspaal, grens, meerpaal; schandpaal’, uit Oergermaans *mairja- ‘grenspaal’, bij Indo-Europees *mei-, waaruit Latijns mūrus ‘stenen muur, gemetselde wand’.Guus Kroonen, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013, blz. 348. Evenals Oudnoords landamæri ‘grensgebied’, Oudengels (ge)mǣre ‘grens’.

Vertalingen

Engelsmooring bollard, mooring post
Fransbollard
DuitsDuckdalbe, Dalbe
Spaansnoray, bolardo