Mijnheer

mannelijk (de)/mɛinˈher/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een aanspreektitel voor een man
    Mijnheer, wilt u dit nog even ondertekenen?
    Toen mijnheer Oortman twee jaar geleden stierf, zeiden de mensen in Assendelft dat hij brouwerijen had voortgebracht.
    'Deze heeft mijnheer betaald,' zegt ze met bewondering in haar stem.
  2. de heer des huizes
    'Omdat mijnheer Brandt een herder uit de stad is.
  3. een titel voor marineofficieren
    Ik ben aanwezig, mijnheer.

Etymologie

* In de betekenis van ‘titel voor een man’ voor het eerst aangetroffen in 1289

Vertalingen

Engelsmister, mr., sir
DuitsHerr, Herr
Spaansseñor, amo