Mijnheer
mannelijk (de)/mɛinˈher/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een aanspreektitel voor een manMijnheer, wilt u dit nog even ondertekenen?Toen mijnheer Oortman twee jaar geleden stierf, zeiden de mensen in Assendelft dat hij brouwerijen had voortgebracht.'Deze heeft mijnheer betaald,' zegt ze met bewondering in haar stem.
- de heer des huizes'Omdat mijnheer Brandt een herder uit de stad is.
- een titel voor marineofficierenIk ben aanwezig, mijnheer.
Etymologie
* In de betekenis van ‘titel voor een man’ voor het eerst aangetroffen in 1289
Vertalingen
Engelsmister, mr., sir
DuitsHerr, Herr
Spaansseñor, amo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek