Monnikskap
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (hoofddeksel) (religie) kap van een monnikspij
- (bouwkunde) met de wind meedraaiende kap op een schoorsteen, een gek
- (bloemplanten) (medisch) een geslacht van vaste planten uit de ranonkelfamilie (Ranunculaceae) waarvan de leden zeer giftig zijn en een kapvormig bovenste bloemblad hebben en waarvan sommigen o.a. worden gebruikt in zalven tegen zenuwpijnen
Vertalingen
Engelscowl, cowl, aconite
Fransfroc, capuchon de moine, tourne-vent
DuitsMönchskutte, Kutte, Eisenhut
Spaanscapucha, acónito
Italiaanscappuccio, mitra, aconito
Zweedskapuschong, stormhatt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek