Nederlandssprekende

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌnedərlɑntˈsprekəndə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon (persoon) iemand die gewoonlijk de voertaal van Nederland en Vlaanderen spreekt
    Het is geen makkelijk accent, zelfs niet voor Britse acteurs die in de regel goed zijn met accenten. Ik dacht: hoe moet ik als Nederlandssprekende het dan doen?
    Ik was het enige Nederlandssprekende kind tussen allemaal Franstalige kinderen.

Etymologie

*: "Nederlandssprekend" met de uitgang -e