Nachtegaal

mannelijk (de)/ˈnɑxtəˌɣal/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zangvogels (zangvogels) lijsterachtige zangvogel met een rossig bruine staart die heel mooi kan zingen,
    De nachtegaal staat bekend om zijn zang.
  2. iemand die heel mooi kan zingen
    Iedere dag werd ik wakker in dezelfde Indiase musical. Het hoge vrouwenstemmetje zong als een Hindoestaanse nachtegaal en ging daar de hele middag mee door. {{Aut|Sandes, David

Etymologie

*uit het Middelnederlands nachtegale, oude samenstelling van nacht en het Germaanse werkwoord galan

Vertalingen

Engelsnightingale
Fransrossignol
DuitsNachtigall
Spaansruiseñor
Italiaansusignolo
Portugeesrouxinol
Russischсоловей
Chinees夜莺
Japansナイチンゲール
Koreaans나이팅게일
Arabischعندليب
Turksbülbül
Poolssłowik
Zweedsnäktergal
Deensnattergal