nacht

mannelijk (de)/nɑxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tijdrekening (tijdrekening) de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst
    Sommige dieren zijn actief in de nacht in plaats van overdag.
    Dit zou toch niet mijn laatste nacht op aarde worden? Met zeven andere hikers zou ik de nacht in deze piepkleine ruimte van drie bij drie meter moeten doorbrengen.
    'Als je zo midden in de nacht naar beneden springt met een parachute, ja ik weet er niets van, maar ik neem aan dat het midden in de nacht moet zijn, dan ben je toch enorm bang?'Hij verzekerde haar dat hij niet bang zou zijn.
  2. tijdrekening (tijdrekening) de tijd tussen het naar bed gaan en het opstaan.
    In de loop van de nacht neemt de hoeveelheid diepe slaap af en nemen lichte slaap en droomslaap toe.[https://encyclopedie.medicinfo.nl/informatie-over-slapen Slapen], Medicinfo
  3. tijdrekening (tijdrekening) de tijd tussen 12 uur 's nachts en 6 uur 's ochtends

Etymologie

:Oudgrieks: nuks, Latijn: nox, : nuit

Uitdrukkingen

  • Bij nacht en ontij (werken/zijn)Wanneer anderen slapen
  • Bij nacht zijn alle katten grauwAls het erop aankomt, is iedereen gelijk
  • Komen als een dief in de nachtOnverwacht komen
  • Niet over één nacht ijs gaanVoorzichtig te werk gaan
  • Zo lelijk als de nachtErg lelijk

Vertalingen

Engelsnight
Fransnuit
DuitsNacht
Spaansnoche
Italiaansnotte
Portugeesnoite
Russischночь
Chinees夜, 夜晚
Japans
Koreaans
Arabischليلة
Turksgece
Poolsnoc
Zweedsnatt
Deensnat