Pastor
/ˈpɑstɔr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) (beroep) zielenherder, zielzorger, pastoor (bij rooms-katholieken), dominee (bij protestanten)
Etymologie
*uit het Latijn pastor "herder"
Vertalingen
Engelsclergyman, pastor, priest
DuitsPastor, Pfarrer, Priester
Spaanscura, dómine, pastor
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek