Patrijs

mannelijk/vrouwelijk (de)/paˈtrɛis/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hoendervogels (hoendervogels) , een vogel uit de familie van de fazanten
  2. vlees van de patrijs
    De jongens in de keuken hebben het vak nog van de oude Jon Sistermans geleerd en hebben een stevige wildkaart in elkaar geknutseld: patrijs met rauwe zuurkool en walnootmayonaise, gebraden reebout met spruitjes en herfstbock, fazant met bloedworst, eendenlever en kweepeer en op het karkas gebraden hazenrug met schorseneren en chocoladesaus Volkskrant Marcus Huibers 3 november 2016

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘hoendervogel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Vertalingen

Engelspartridge
Fransperdrix
DuitsRebhuhn
Spaansperdiz
Italiaanspernice
Portugeesperdiz
Turksçilkeklik
Poolskuropatwa
Zweedsrapphöna
Deensagerhøne