Peer

mannelijk/vrouwelijk (de)/per/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. fruit (fruit) vrucht van de perenboom,
  2. bloemplanten (bloemplanten) een plantengeslacht uit de rozenfamilie () dat de voornoemde vruchten produceert (vooral ) en vooral voorkomt op het noordelijk halfrond
  3. figuurlijk (figuurlijk) gloeilamp in de vorm van een glazen bol met een uiteinde dat overgaat in een metalen fitting
zelfstandig naamwoord
  1. informeel (informeel) mannelijke ouder
  2. pejoratief soms (pejoratief) oude man
zelfstandig naamwoord
  1. politiek (politiek) (VK) lid van het Britse Hogerhuis (het onderdeel van het parlement waarvan de leden niet via verkiezingen worden aangewezen)
    Onlangs heeft nog een peer, die door de dood van zijn vader, Lord Stansgate, in de adelstand en in het Hogerhuis moest worden opgenomen, met veel misbaar te kennen gegeven, dat hij niets voor de eer voelde.

Etymologie

*[C] van """, in de betekenis van ‘lid van het Hogerhuis’ aangetroffen vanaf 1847

Uitdrukkingen

  • Appels met peren vergelijkentwee totaal verschillende dingen vergelijken alsof ze eender zijn, waardoor de vergelijking onzinnig is
  • Met de gebakken peren (blijven) zittenvoor de moeilijkheden opdraaien

Vertalingen

Engelspear, bulb
Franspoire
DuitsBirne
Spaanspera, ampolla, bombilla
Italiaanspera
Portugeespêra
Russischгруща
Turksarmut
Poolsgruszka, żarówka
Zweedspäron
Deenspære