Pietje
onzijdig (het)/ˈpicə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (dierluizen) kleine parasiet die in het hoofdhaar van mensen kan voorkomen (meestal in het meervoud gebruikt, soms ook voor vergelijkbare parasieten)
- (vulgair) mannelijk geslachtsdeel
- (numismatiek) (geschiedenis) zilveren munt ter waarde van 6,25 stuiver (een achtste rijksdaalder)
Etymologie
*[2] naar de bijnaam ""Pietje" Bedroefd" voor de op de munt afgebeelde gewapende man die een grote zakdoek leek vast te houden, in de betekenis van ‘munt’ voor het eerst aangetroffen vanaf 1762
Uitdrukkingen
- bij zijn pietje pakken
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek