Raam
onzijdig (het)/ram/
Wat is de betekenis van Raam?
Raam betekent: (Nederlands-Nederlands) (bouwkunde) een opening in de wand of muur van een gebouw om licht door te laten, vaak gevuld met een ruit doorzichtig materiaal zoals glas
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (Nederlands-Nederlands) (bouwkunde) een opening in de wand of muur van een gebouw om licht door te laten, vaak gevuld met een ruit doorzichtig materiaal zoals glas
- (techniek) een kader, een rechthoekige constructie rond een afbeelding
- (juridisch), (politiek), (figuurlijk) de basisstructuur van een akkoord of wet waarin slechts de begrenzing van het geheel, en het onderlinge verband van onderdelen, is vastgesteld
Voorbeelden van "Raam" in een zin
- Door een klein raam werden we steeds fel verlicht door de bliksem.
- Dit voorstel past niet in het raam van het akkoord.
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands rāme, raem (m), rāme (f) ‘omlijsting, raam, waarop iets gespannen wordt’, ontwikkeld uit Oergermaans *hraman-, bij Indo-Europees *krom-, waartoe ook Russisch dial. kromá ‘rand; korst’, vero. krómka ‘id.’ en zakromítʹ ‘met planken afscheiden’ behoren. Verwant aan remmen. Evenals Nederduits Rahm en Duits Rahmen, beide ‘lijst(werk), omlijsting’.
Vertalingen
Engelswindow, frame
Fransfenêtre, encadrement, cadre
DuitsFenster, Rahmen
Spaansventana, marco
Italiaansfinestra
Portugeesjanela
Turkspencere
Poolsokno
Zweedsfönster
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek