rand
mannelijk (de)/rɑnt/
Wat is de betekenis van rand?
rand betekent: de buitenkant van een gebied of een ding
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de buitenkant van een gebied of een ding
- het extern gedeelte van de stad, beschouwd als zijnde onder invloed van het centrum
- de bovenkant van een bak of vat
- (figuurlijk) randgebieden of grensgebieden betreffend
- (materiaalkunde) afvalmateriaal, overgebleven aan de zijkant van de strook, om een of meer uitgesneden producten heen
- gebruikt als randversiering of omlijsting bij behangselpapier
zelfstandig naamwoord
- (financieel) een munteenheid in Zuid-Afrika formeel de Zuid-Afrikaanse rand
Voorbeelden van "rand" in een zin
- Een stuk blik met scherpe randen.
- Alleen door het zwakke schijnsel van de afgeschermde lantaarns en de witte randen van de trottoirs kon je zien waar je liep.[http://www.dbnl.org/tekst/vrie040chaw01_01/vrie040chaw01_01_0003.php Leonard de Vries, Chaweriem (1955)]
- Tot de rand gevuld met soep.
- Hij staarde in een oude broodtrommel van email die tot de rand gevuld was met sleutels: lopers, steeksleutels, fietssleuteltjes en talloze andere.[http://www.dbnl.org/tekst/ombr001maal01_01/ombr001maal01_01_0017.php Ellen Ombre, Maalstroom (1992)]
- Daarna liet ik de toeristen al snel achter me en volgde ik de trail die helemaal langs de rand van de vulkaankrater liep.
Etymologie
*[B] Leenwoord uit het Afrikaans, in de betekenis van ‘munteenheid van de Republiek van Zuid-Afrika’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1961
Uitdrukkingen
- van de hoed en de rand weten — er alles vanaf weten
- aan de rand van het graf staan — de dood nabij zijn
- op de rand van de afgrond — bijna ten onder gaan
- Dat is op het randje. — Het ligt op de grens van wat nog kan.
- over het randje gaan — het is voorbij de grens wat nog kan
- op den rand des verderfs — den ondergang nabij
Vertalingen
Engelsborder
Fransbord
DuitsRand, Kante, Stadtrand
Portugeesaba
Poolsgranica
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek