bovenkant

mannelijk (de)/ˈbovə(n)ˌkɑnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de zijde van een ruimtelijk figuur dat naar boven wijst, hier tegenover ligt de onderkant die naar beneden wijst
    Ze knipt de bovenkant van een zakje risotto dat niet echt door en door warm is, maar ja, ze heeft honger.
    De bovenkant van de munt zou echt kunnen zijn, maar de andere kant vals.
    Hierna lieten de duim en wijsvinger van haar rechterhand de bovenkant van haar pyjama flink wapperen.
  2. het rijkste, hoogste, beste, snelste deel van een geheel
    Onder de toenmalige nieuwe baas maakten we de strategische keuze ons meer op de bovenkant van de markt te richten. De mensen die hier weg gingen, waren hard nodig in New York, waar de prijzen voor naoorlogse beeldende kunst omhoog schoten. Inmiddels is duidelijk dat de internationale middenmarkt voor het bedrijf onontbeerlijk is.” Arjen Ribbens NRC 9 juni 2016