Rozemarijn
mannelijk (de)/ˌrozəmaˈrɛin/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bepaald soort vaste plant (dwergstruik), uit de lipbloemenfamilie ()
- (kruid) de, verse of gedroogde, bladen van worden gebruikt om gerechten te kruiden
- (cosmetica) takjes van worden gebruikt als geurstof
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘heester’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1515
Vertalingen
Engelsrosemary
Fransromarin
DuitsRosmarin
Spaansromero
Italiaansrosmarino
Portugeesalecrim
Russischрозмарин
Chinees迷迭香
Japansローズマリー
Koreaans로즈메리
Arabischكليل
Turksbiberiye
Poolsrozmaryn
Zweedsrosmarin
Deensrosmarin
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek