Ruiten
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈrœytə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kaartspel) een kleursoort in het kaartspel
werkwoord
- (ov) ruiten maken op, in
- (verouderd) roven, plunderen
Etymologie
* In de betekenis van ‘kleur in kaartspel’ aangetroffen vanaf 1612
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek