Ruiten

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈrœytə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kaartspel (kaartspel) een kleursoort in het kaartspel
werkwoord
  1. ov (ov) ruiten maken op, in
  2. verouderd (verouderd) roven, plunderen

Etymologie

* In de betekenis van ‘kleur in kaartspel’ aangetroffen vanaf 1612