koeken
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (erga) tot een klont, een koek wordenToen die geleverd werd bleek [dat] die zo aan elkaar gekoekt was dat het zout niet in de strooimolens kon.
zelfstandig naamwoord
- (België) (kaartspel) ruiten
Vertalingen
Duitspappen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek