koek
mannelijk (de)/kuk/
Wat is de betekenis van koek?
koek betekent: (voeding) een baksel uit de oven met als belangrijkste ingrediënt deeg
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) een baksel uit de oven met als belangrijkste ingrediënt deeg
- (figuurlijk) min of meer platte massa van dingen die zijn samengeklonterd
Voorbeelden van "koek" in een zin
- We kopen minder vaak koek en gebak en serveren kleine porties.H. Stam, [https://books.google.nl/books?id=78J3BQAAQBAJ&pg=PT118&lpg=PT118&dq=%22+gebak+en+serveren+kleine+porties%22&source=bl&ots=cEiilByZQ3&sig=YhcoGqcLp_V9v5Dw9tfbB-CrDn4&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwiP9MjajPTZAhWCKVAKHWkkDRkQ6AEILTAAv=onepage&q=%22%20gebak%20en%20serveren%20kleine%20porties%22&f=false Suiker, het zoete vergif: Alles wat je moet weten over suiker], 2015
- Wij vonden op de toeristenmarkt van Abidjan een luipaardmasker, gesneden van licht hout, overdekt door een koek van bloed en vuil, takjes en aarde.[http://nha.courant.nu/issue/HD/1960-07-23/edition/null/page/13?query= Haarlem's Dagblad], 23 juli 1960
Etymologie
* In de betekenis van ‘zoet gebak’ voor het eerst aangetroffen in 1300
Uitdrukkingen
- koek en ei
- Iets voor zoete koek slikken/aannemen — Iets zomaar geloven, goedgelovig voor waar aannemen
- Dat is gesneden koek — Gezegd van iets heel gemakkelijk is te regelen, op te lossen e.d.
- Dat is andere koek — Dat is heel iets anders
- De koek is op — Er is geen geld meer; in bredere zin gezegd van iets wat niet meer ter beschikking staat; het maximaal haalbare is al bereikt, meer dan dit zit er niet in; de fut/rek is eruit
- Dat gaat erin als [zoete] koek — Dat wordt heel goed ontvangen (soms ook meer letterlijk gezegd over iets dat goed smaakt)
- Een koekje van eigen deeg geven — Met gelijke middelen wraak nemen, vergelden
Vertalingen
Engelscake, cookie, biscuit
Fransgâteau
DuitsKuchen, Plätzchen, Keks
Spaansbizcocho, pastel, galleta
Japansケーキ
Koreaans케이크
Zweedskaka
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek