Schokker

mannelijk (de)/ˈsxɔkər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een vissersboot met een platbodem met zijzwaarden en een rechte stevenbalk die aan de bovenzijde een ingebouwde katrol bevat voor de ankerlijn
    De schokker voer de haven binnen.
  2. een bepaald model zeiljacht
    De schokker had de wind aan bakboord.
  3. een hoog groeiende groene erwt

Etymologie

*Afgeleid van het eiland Schokland