Schokker
mannelijk (de)/ˈsxɔkər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een vissersboot met een platbodem met zijzwaarden en een rechte stevenbalk die aan de bovenzijde een ingebouwde katrol bevat voor de ankerlijnDe schokker voer de haven binnen.
- een bepaald model zeiljachtDe schokker had de wind aan bakboord.
- een hoog groeiende groene erwt
Etymologie
*Afgeleid van het eiland Schokland
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek