Schraal
/sraɫ/
Wat is de betekenis van Schraal?
Schraal betekent: armzalig, minimaal
Betekenis
bijvoeglijk naamwoord
- armzalig, minimaal
- onaangenaam uitdrogend
- uitgedroogd, geïrriteerd
werkwoord
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schralen
- gebiedende wijs van schralen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schralen
Voorbeelden van "Schraal" in een zin
- Door de droogte was er maar een schrale oogst.
- Ik rol een afgebrande lucifer tussen duim en wijsvinger en prik bijwijlen met de geblakerde spits in mijn vlees, een schraal substituut voor het roken. Alles voelt trouwens schraal.
- Hij zocht beschutting van de schrale wind.
- Zij smeerde wat balsem op de schrale plekken op haar handen.
- Ik schraal.
Etymologie
In de betekenis van ‘mager’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599
Vertalingen
Engelsmiserly
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek