schraag
mannelijk/vrouwelijk (de)/sxraːx/
Wat is de betekenis van schraag?
schraag betekent: draagconstructie om een vlak, planken of andere langwerpige voorwerpen te ondersteunen
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- draagconstructie om een vlak, planken of andere langwerpige voorwerpen te ondersteunen
- bestaande uit een draagbalk die aan beide uiteinden rust op een paar poten dat schuin met elkaar verbonden een driehoek vormt
- bestaande uit een draagbalk die aan beide uiteinden rust op een poot met een voet of een vaste verbinding met de bodem
- tafel of werkblad met een draagconstructie als onder 1.
- vast onderstel van sommige werktuigen
- draagbaar
- (figuurlijk) vaste ondersteuning
Voorbeelden van "schraag" in een zin
- Hij zette onvervaard zijn rug onder een tamelijk wichtig rijtuig, tilde het van de pin, tot de baas er de schraag onder plaatste en Tinus het losse voorstel wegreed.
- Op een eenvoudige houten schraag staan brood, worst en wijn.
- De glazen bol rustte op een sterke houten schraag (…), waarin een gat was uitgespaard.
- Ik kijk naar Bengjéh, op de schraag met de kaarsen, en bij het licht ervan zie ik dat zijn wonden opgedroogd zijn (…)
- Een verenigd Europa als schraag voor de vrijheid die in 1945 zo zwaar werd bevochten.
Etymologie
*van Middelnederlands "schrage"[http://dbnl.nl/tekst/_tij003194901_01/_tij003194901_01_0011.php?q=schraag "Klanknabootsing als taalvormend element (V) Over enige semantische parallellen" in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. jrg. 66 nr. 2 (1949) E.J. Brill, Leiden]; p.129; geraadpleegd 2015-12-20
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek