bok
mannelijk (de)/bɔk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (dierkunde) mannelijke geit
- toestel bij het turnen
- mennerszitplaats bij een rijtuig, plaats waar de machinist zit in een trein of tram
- platform waarop een dirigent voor het orkest staat
- zware hijskraan
- ondersteuning waarop zware toestellen kunnen geplaatst worden
- (spel) speelsteen bij het sjoelen die boven op een andere belandt of anderszins niet vlak op de ondergrond van de bak blijft liggen
tussenwerpsel
- uitroep aan het eind van een zin als iemand met z'n mond vol tanden staat
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "boc" van Oudnederlands "buk", in de betekenis van ‘mannetje van de geit’ voor het eerst aangetroffen in 901 De overige betekenissen berusten waarschijnlijk op een vergelijking van de vorm met een bok die zich op vier poten schrap zet.
Uitdrukkingen
- een bok schieten — een stommiteit begaan, een flater slaan
- als een bok op een haverkist — ergens (te) snel op reageren
- een geile bok — iemand die erg op seks belust is
- Een oude bok lust nog wel een jong/groen blaadje. — Mannen zijn op hogere leeftijd vaak nog altijd seksueel geïnteresseerd (m.n. in jonge vrouwen).
- De bokken van de schapen scheiden — De goeden apart van de kwaden zetten of een scheiding maken tussen goede en slechte mensen ofwel: Een scheiding maken tussen mannen en vrouwen ofwel: Een scheiding maken tussen mensen die iets durven of kunnen ten opzichte van anderen.
- Oude bokken hebben stijve horens — oude mensen hebben vaak vaste gewoontes die maar moeilijk kunnen veranderen
- Van de bok (laten) dromen — een pak slaag (laten) krijgen
- Van de bok op de ezel gaan — snel van onderwerp wisselen zonder rode draad
Vertalingen
Engelsbilly-goat, buck-goat, podium
Fransbouc, estrade, podium
DuitsBock, Ziegenbock
Spaanscabrón
Russischкозёл
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek