Sluis
mannelijk/vrouwelijk (de)/slœys/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) (waterbeheer) een kunstwerk om water te keren en mogelijk ook om schepen door te laten, op een plaats tussen twee waters met een verschillend waterpeil.
- een afgesloten ruimte met aan twee zijden een deur, waarvan er tegelijkertijd slechts één open kan.
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘waterkering’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1139
Vertalingen
Engelslock
Fransécluse
DuitsSchleuse
Spaansesclusa
Italiaanschiusa
Portugeeseclusa
Poolsśluza
Zweedssluss
Deenssluse
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek