Spekking

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) ter versiering aangebrachte laag natuursteen in een bakstenen muur
  2. visserij (visserij) zwarte, oranje of blauwe draadjes polyethyleen die afkomstig zijn van borstels of trossen die onder visnetten uit de boomkorvisserij gehangen worden. De borstels, zelf ook vispluis of spekking genoemd, zorgen ervoor dat de visnetten minder snel slijten wanneer ze over de zeebodem slepen

Etymologie

* afleiding van spekken