spek

onzijdig (het)/spɛk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. biologie, voeding (biologie), (voeding) laag vet tussen huid en vlees bij grote zoogdieren
    Hij at 's morgens graag eieren met gebakken spek.
  2. snoepgoed (snoepgoed) bepaald soort sponzige zoetwaar
  3. snoepgoed (snoepgoed) (Belgisch-Nederlands) benaming voor zoet snoep, suikergoed

Etymologie

*[2], [3] in de betekenis van ‘een soort suikergoed’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1873

Uitdrukkingen

  • met spek schieten
  • voor spek en bonen meedoen
  • er voor spek en bonen bijzitten
  • de kat bij het spek zetten
  • de kat op het spek binden

Vertalingen

Engelsbacon
DuitsSpeck
Spaanslardo, tocino