Tamboer
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- trommelslager die de maat aangeeft bij het marcheren van soldaten
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘trommelaar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1642
Vertalingen
Engelsdrummer
Franstambour
Spaanstambor
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek