Trouw

mannelijk (de)/trɑu/

Wat is de betekenis van Trouw?

Trouw betekent: naleving van een (morele) verbintenis

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. naleving van een (morele) verbintenis
  2. huwelijk en de uitsluitende gerichtheid op de partner in een huwelijk of vaste relatie

Voorbeelden van "Trouw" in een zin

  • Die lieve, integere Italiaan met zijn theorieën over familiebanden en over tradities in zijn dorp, over trouw zijn aan de gemeenschap, aan elkaar.

Betekenis en uitleg van Trouw

Het woord 'trouw' verwijst naar de toewijding en loyaliteit aan iemand of iets. Het kan betrekking hebben op een relatie, zoals in de trouw aan een partner, maar ook op principes en waarden die je volgt.

Je gebruikt het woord 'trouw' vaak in de context van romantische relaties, waar het een belangrijke basis vormt voor vertrouwen en verbinding. Het kan ook betrekking hebben op loyaliteit aan vrienden, familie of zelfs een organisatie. De nuance van 'trouw' kan variëren van een emotionele band tot een morele verplichting.

Voorbeelden

  • Na jaren samen te zijn, is haar trouw aan hem sterker dan ooit.
  • Hij toont zijn trouw aan het bedrijf door altijd zijn best te doen, zelfs in moeilijke tijden.
  • De trouw van hun vrienden tijdens de moeilijke periode was een grote steun voor hen.

Woordoorsprong

Het woord 'trouw' heeft wortels in het Oudgermaans en is verwant aan woorden die loyaliteit en betrouwbaarheid aanduiden.

Veelgestelde vragen over Trouw

Wat is de betekenis van Trouw?

Trouw betekent: naleving van een (morele) verbintenis

Hoeveel betekenissen heeft Trouw?

Trouw heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft Trouw?

Trouw is een mannelijk (de).

Wat zijn synoniemen van Trouw?

Synoniemen van Trouw zijn: betrouwbaar, loyaal, volhardend, standvastig.

Hoe gebruik je Trouw in een zin?

Voorbeeld: “Die lieve, integere Italiaan met zijn theorieën over familiebanden en over tradities in zijn dorp, over trouw zijn aan de gemeenschap, aan elkaar.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "trouwe" van Oudnederlands "triuwa", cognaat met "treu" en "true" "waar, waarachtig, betrouwbaar"; in de betekenis van ‘loyaal’ aangetroffen vanaf 1291

Uitdrukkingen

  • te goeder trouw
  • te kwader trouw
  • Hou en trouw (beloven)elkaar overal (zullen) helpen
  • Iemand van kwade trouw verdenkenverdenken dat iemand bedriegt

Vertalingen

Engelsallegiance, fidelity, loyalty
Fransfidélité, fidèle
DuitsTreue, Loyalität, Treuherzigkeit
Spaansfidelidad, lealtad, fiel
Italiaansfedeltà, lealtà