Tuin

mannelijk (de)/tœyn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tuinbouw, tuinieren (tuinbouw), (tuinieren) een omheind stuk grond waar bloemen gekweekt of groenten geteeld worden
    Zijn al die bloemen voor je tuin bedoeld?
  2. (Zuid-Nederlands, westelijk Noord-Brabants) heg, tenen omheining rond een hof
    Een tuin is gemaekt van staken van wilgen hout in den grond gestoken, en met dunner takken van het zelve hout dicht doorvlochten.Arnold Moonen, Nederduitsche spraekkunst, ten dienste van in- en uitheemschen, uit verscheidene schryveren en aentekeningen, opgemaekt en uitgegeeven, uitg. Pieter Meyer, 1751, blz. 74
  3. stuk onbebouwd terrein rond een huis
    Het is echt wonderbaarlijk hoe goed ze mensen om de tuin kan leiden, hun het idee kan geven dat ze gaaf is, terwijl ze vanbinnen in een achtbaan zit en compleet aan diggelen ligt.
    Die nacht had ik in de tuin van Trail Angels Scout & Frodo gelogeerd, in een buitenwijk van San Diego.
  4. waterbeheer (waterbeheer) eigenlijk 'vlechttuin', opstaande rij palen op een zinkstuk met daardoorheen gevlochten rijshout, ter voorkoming van het afrollen van ballaststeen

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "tuun" ‘vlechtwerk van teen; omheining, omheinde ruimte’ van Oudnederlands "tun" ‘omheining’, in de betekenis van ‘omheining’ voor het eerst aangetroffen in 901; verder te herleiden tot Oergermaans *tūnan ‘omheining, omheinde ruimte’, ontleend aan "dūnon" ‘versterking, versterkte stad’ (vergelijk "dún" ‘burcht, omwalde stad’ en verouderd "din" ‘vesting’), verder cognaat met "Tuun" ‘hek; tuin’, "Zaun" ‘hek’, "town" ‘kleine stad/gemeente’ en "tun" ‘hoeve; erf’

Uitdrukkingen

  • De kap op de tuin hangen
  • Iemand om de tuin leideniemand beetnemen of bedriegen

Vertalingen

Engelsgarden
Fransjardin
DuitsGarten
Spaansjardín
Italiaansgiardino
Portugeesjardim
Russischсад
Japans庭園
Turksbahçe
Poolsogród
Zweedsträdgård
Deenshave