Tuin
mannelijk (de)/tœyn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tuinbouw), (tuinieren) een omheind stuk grond waar bloemen gekweekt of groenten geteeld wordenZijn al die bloemen voor je tuin bedoeld?
- (Zuid-Nederlands, westelijk Noord-Brabants) heg, tenen omheining rond een hofEen tuin is gemaekt van staken van wilgen hout in den grond gestoken, en met dunner takken van het zelve hout dicht doorvlochten.Arnold Moonen, Nederduitsche spraekkunst, ten dienste van in- en uitheemschen, uit verscheidene schryveren en aentekeningen, opgemaekt en uitgegeeven, uitg. Pieter Meyer, 1751, blz. 74
- stuk onbebouwd terrein rond een huisHet is echt wonderbaarlijk hoe goed ze mensen om de tuin kan leiden, hun het idee kan geven dat ze gaaf is, terwijl ze vanbinnen in een achtbaan zit en compleet aan diggelen ligt.Die nacht had ik in de tuin van Trail Angels Scout & Frodo gelogeerd, in een buitenwijk van San Diego.
- (waterbeheer) eigenlijk 'vlechttuin', opstaande rij palen op een zinkstuk met daardoorheen gevlochten rijshout, ter voorkoming van het afrollen van ballaststeen
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "tuun" ‘vlechtwerk van teen; omheining, omheinde ruimte’ van Oudnederlands "tun" ‘omheining’, in de betekenis van ‘omheining’ voor het eerst aangetroffen in 901; verder te herleiden tot Oergermaans *tūnan ‘omheining, omheinde ruimte’, ontleend aan "dūnon" ‘versterking, versterkte stad’ (vergelijk "dún" ‘burcht, omwalde stad’ en verouderd "din" ‘vesting’), verder cognaat met "Tuun" ‘hek; tuin’, "Zaun" ‘hek’, "town" ‘kleine stad/gemeente’ en "tun" ‘hoeve; erf’
Uitdrukkingen
- De kap op de tuin hangen
- Iemand om de tuin leiden — iemand beetnemen of bedriegen
Vertalingen
Engelsgarden
Fransjardin
DuitsGarten
Spaansjardín
Italiaansgiardino
Portugeesjardim
Russischсад
Japans庭園
Turksbahçe
Poolsogród
Zweedsträdgård
Deenshave
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek