Tuk
mannelijk (de)/tʏk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een korte periode van slaapIk zou wel even een tukje willen doen.
- Twente: broekzak
Etymologie
#iemand ~ hebben iemand een – al dan niet grappig bedoelde – streek leveren
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek