Tukker

mannelijk (de)/ˈtʏkər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zangvogels (zangvogels) bepaald soort kleine bontgekleurde vink
  2. zangvogels (zangvogels) bepaald soort vinkachtige
  3. schertsend (schertsend) bewoner van Twente of iemand die daar vandaan komt

Etymologie

*[3] (figuurlijk) gebruik van betekenis 2. „kneu”, vergelijk heikneuter of afgeleid van "tukken" in de betekenis "dutten" vanwege de vermeende traagheid van handelen