Voorn
mannelijk (de)/ˈvorᵊn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (visserij) benaming voor zoetwatervissen, meestal met rode of oranje vinnen, behorende tot de eigenlijke karpersEen voorn vreet waterplanten als het water warm is.
Etymologie
* In de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in 1377
Vertalingen
Spaansido, idus
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek