voren

mannelijk (de)/ˈvorə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. visserij (visserij) benaming voor sommige zoetwatervissen uit het geslacht met rode vinnen, vooral gebruikt voor de blankvoorn en de rietvoorn
    Hij ving alleen maar een paar vorentjes.

Etymologie

Vandaag verschijnt op Videoland een documentaire over TMF. Daarin komt ook de schaduwkant van het succes naar voren. Verschillende vj's van toen zeggen dat ze een burn-out kregen van de lange werkweken die ze moesten maken.

Uitdrukkingen

  • van achteren lyceum, van voren museum