vore

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈvɔrə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. landbouw (landbouw) lange, smalle en ondiepe insnijding in een akker, gewoonlijk door een ploeg aangebracht
    Dan passeren ze een boer die net een vore in de akker heeft geploegd en goedkeurend zegt: ‘Dat is recht’.
  2. dichtkunst, figuurlijk (dichtkunst) (figuurlijk) benaming voor de scheiding tussen de eerste twee delen van hoofse minneliederen uit de 13e eeuw
    De kop is een formeel kenmerk van de Noord-Franse hoofse poëzie (…); een Noord-Franse kop bestaat doorgaans uit twee stollen van elk twee versregels, van elkaar gescheiden door een vore.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands vōre, ontwikkeld uit Oergermaans *furhz, bij Indo-Europees *porḱ-, afgeleid uit de wortel *perḱ- ‘graven’, waartoe ook Latijn porca ‘rug tussen voren’, Welsh rhych ‘vore’, Litouws prapar̃šas ‘greppel’ en Sanskrit párśāna- ‘kuil, laagte’ behoren. Evenals Nederduits Föör, Duits Furche en Fries fuorge.

Vertalingen

Engelsfurrow
Franssillon
DuitsFurche
Spaanssurco
Italiaanssolco
Portugeessulco, rego
Arabischثَلْم‎
Poolsbruzda
Zweedsfåra
Deenssolc, fure