Weiden

Wat is de betekenis van Weiden?

Weiden betekent: (ov), (veeteelt) vee op een stuk grond laten grazen

Betekenis

werkwoord
  1. ov, veeteelt (ov), (veeteelt) vee op een stuk grond laten grazen
  2. intr (intr) rondgaan

Voorbeelden van "Weiden" in een zin

  • De herder weidde zijn kudde schapen op de heide.
  • Hun blikken weidden.

Betekenis en uitleg van Weiden

Weiden zijn open, grasrijke gebieden waar vaak dieren, zoals koeien of schapen, grazen. Je kunt je het voorstellen als groene, uitgestrekte vlaktes die uitnodigen tot buiten zijn en genieten van de natuur.

Het woord 'weiden' wordt vaak gebruikt in de context van landbouw en natuur, maar je kunt het ook tegenkomen in poëtische of romantische beschrijvingen van het platteland. Weiden zijn belangrijk voor de biodiversiteit en kunnen ook een plek zijn voor recreatie, zoals wandelen of picknicken. De term roept een gevoel van vrijheid en ruimte op, wat het aantrekkelijk maakt in zowel praktische als artistieke zin.

Voorbeelden

  • De koeien stonden rustig te grazen in de weiden achter het huis.
  • Tijdens het wandelen door de weiden voelde ik de frisse lucht en hoorde ik de vogels fluiten.
  • De schilder had de weiden vastgelegd in zijn doek, met een prachtig uitzicht op de ondergang van de zon.

Woordoorsprong

Het woord 'weiden' komt van het Oudnederlands 'wīda', wat 'gras' of 'groen' betekent. Het is verwant aan het Duitse woord 'Wiese', dat ook 'wei' of 'grasland' aanduidt.

Veelgestelde vragen over Weiden

Wat is de betekenis van Weiden?

Weiden betekent: (ov), (veeteelt) vee op een stuk grond laten grazen

Hoeveel betekenissen heeft Weiden?

Weiden heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Wat zijn synoniemen van Weiden?

Synoniemen van Weiden zijn: weien, weides.

Hoe gebruik je Weiden in een zin?

Voorbeeld: “De herder weidde zijn kudde schapen op de heide.

Etymologie

* In de betekenis van ‘doen grazen’ voor het eerst aangetroffen in 1135

Vertalingen

Engelsfeed, graze
Duitsgrasen, weiden
Spaanspastar, apacentar, pastorear