Weiden

Betekenis

werkwoord
  1. ov, veeteelt (ov), (veeteelt) vee op een stuk grond laten grazen
    De herder weidde zijn kudde schapen op de heide.
  2. intr (intr) rondgaan
    Hun blikken weidden.

Etymologie

* In de betekenis van ‘doen grazen’ voor het eerst aangetroffen in 1135

Vertalingen

Engelsfeed, graze
Duitsgrasen, weiden
Spaanspastar, apacentar, pastorear