Wiek

mannelijk/vrouwelijk (de)/ʋik/

Wat is de betekenis van Wiek?

Wiek betekent: (verouderd) (dichterlijk) vleugel

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verouderd, dichterlijk (verouderd) (dichterlijk) vleugel
  2. molenarm, windvanger op het gevlucht van een windmolen
  3. (België) pit van een kaars
  4. (België) tampon

Voorbeelden van "Wiek" in een zin

  • De wieken van de molen kwamen in beweging.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands wieke ‘vlerk; wondpluksel; lampen-, kaarsenpit’, ontwikkeld uit Oergermaans *weukan, bij Indo-Europees *ueg- ‘weven’, waartoe ook Iers figh ‘weven’, Latijn vēlum ‘zeil; zeildoek’ en Sanskriet vāgurā́ ‘strop, valkuil’ behoren. Evenals Duits Wieche ‘vezelbundel; wondpluksel’, Fries wjok, wjuk ‘vleugel; vlerk; molenwiek’ en Engels wick ‘kaarsen- of lampenpit’.

Vertalingen

Engelssail, wick
Fransaile, mèche
DuitsFlügel, Docht
Spaansaspa, mecha
Italiaanspala
Portugees