pit
/pɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) zaadhoudende kern van verschillende vruchten
- brandbare gevlochten draad in het binnenste van een kaars, olielamp of petroleumtoestel
- (sport) werkplaats langs een circuit voor auto- of motorsport
- energieDaar zit pit in.
Etymologie
* In de betekenis van ‘gegraven opening met water’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1076
Vertalingen
Engelsseed, wick
Fransmèche
DuitsKern, Stein, Docht
Spaanscuesco, grano, hueso
Italiaansstoppino, lucignolo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek