pit

/pɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) zaadhoudende kern van verschillende vruchten
  2. brandbare gevlochten draad in het binnenste van een kaars, olielamp of petroleumtoestel
  3. sport (sport) werkplaats langs een circuit voor auto- of motorsport
  4. energie
    Daar zit pit in.

Etymologie

* In de betekenis van ‘gegraven opening met water’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1076

Vertalingen

Engelsseed, wick
Fransmèche
DuitsKern, Stein, Docht
Spaanscuesco, grano, hueso
Italiaansstoppino, lucignolo