Wiek
mannelijk/vrouwelijk (de)/ʋik/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) (dichterlijk) vleugel
- molenarm, windvanger op het gevlucht van een windmolenDe wieken van de molen kwamen in beweging.
- (België) pit van een kaars
- (België) tampon
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands wieke ‘vlerk; wondpluksel; lampen-, kaarsenpit’, ontwikkeld uit Oergermaans *weukan, bij Indo-Europees *ueg- ‘weven’, waartoe ook Iers figh ‘weven’, Latijn vēlum ‘zeil; zeildoek’ en Sanskriet vāgurā́ ‘strop, valkuil’ behoren. Evenals Duits Wieche ‘vezelbundel; wondpluksel’, Fries wjok, wjuk ‘vleugel; vlerk; molenwiek’ en Engels wick ‘kaarsen- of lampenpit’.
Vertalingen
Engelssail, wick
Fransaile, mèche
DuitsFlügel, Docht
Spaansaspa, mecha
Italiaanspala
Portugeespá
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek