Wiek
Wat is de betekenis van Wiek?
Wiek betekent: (verouderd) (dichterlijk) vleugel
Betekenis
- (verouderd) (dichterlijk) vleugel
- molenarm, windvanger op het gevlucht van een windmolen
- (België) pit van een kaars
- (België) tampon
Voorbeelden van "Wiek" in een zin
- De wieken van de molen kwamen in beweging.
Betekenis en uitleg van Wiek
Een wiek is een onderdeel van een zeil of een windmolen, dat helpt om de kracht van de wind om te zetten in beweging. Het kan ook verwijzen naar een soort van vleugel of een arm die draait, zoals bij een speelgoed of een ventilator.
Je komt het woord 'wiek' vaak tegen in de context van zeilen of traditionele molens, waar het essentieel is voor de werking van het apparaat. In bredere zin kan het ook verwijzen naar elke draaiende component die gebruikmaakt van wind of lucht om te functioneren. Het woord heeft een speelse connotatie en wordt soms ook gebruikt in de context van speelgoed dat draait.
Voorbeelden
- De wieken van de oude molen draaiden langzaam in de bries.
- Tijdens het zeilen hielp de ervaren schipper ons de wiek optimaal te gebruiken voor snelheid.
- Het speelgoed draaide vrolijk rond, met een kleurrijke wiek die de aandacht van de kinderen trok.
Woordoorsprong
Het woord 'wiek' heeft waarschijnlijk zijn oorsprong in het Middelnederlands en is verwant aan woorden die draaien of bewegen impliceren.
Veelgestelde vragen over Wiek
Wat is de betekenis van Wiek?
Wiek betekent: (verouderd) (dichterlijk) vleugel
Hoeveel betekenissen heeft Wiek?
Wiek heeft 4 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.
Welk woordgeslacht heeft Wiek?
Wiek is een mannelijk/vrouwelijk (de).
Hoe gebruik je Wiek in een zin?
Voorbeeld: “De wieken van de molen kwamen in beweging.”
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands wieke ‘vlerk; wondpluksel; lampen-, kaarsenpit’, ontwikkeld uit Oergermaans *weukan, bij Indo-Europees *ueg- ‘weven’, waartoe ook Iers figh ‘weven’, Latijn vēlum ‘zeil; zeildoek’ en Sanskriet vāgurā́ ‘strop, valkuil’ behoren. Evenals Duits Wieche ‘vezelbundel; wondpluksel’, Fries wjok, wjuk ‘vleugel; vlerk; molenwiek’ en Engels wick ‘kaarsen- of lampenpit’.