kous
mannelijk/vrouwelijk (de)/kɑus/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kleding) een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedektEr zit een gat in mijn kous.
- een hulpmiddel om een brandstof in licht om te zetten, dat deel uitmaakt van een olie- of petroleumlamp
Etymologie
*Ontleend aan het Picardische cauce, dat net als het Franse chausse ontwikkeld is uit het Latijnse calceus.
Uitdrukkingen
- Daarmee is de kous af. — Daarmee is het afgelopen, daarmee is over de kwestie alles gezegd wat zinvol is
- De kous op de kop krijgen — Je zin niet krijgen
- Het naadje van de kous willen weten — Precies willen weten hoe iets zit
- Met de kous op de kop thuiskomen — Benadeeld van een mislukking terugkomen
Vertalingen
Engelsstocking, wick
Fransbas
DuitsStrumpf, Docht
Spaanscalcetín, media, mechero
Turksçorap
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek