sok
mannelijk/vrouwelijk (de)/sɔk/
Wat is de betekenis van sok?
sok betekent: (kleding) kous die tot net boven de enkel komt
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kleding) kous die tot net boven de enkel komt
- (dierkunde) bij viervoeters het anders gekleurde, onderste deel van de poot
zelfstandig naamwoord
- (techniek) verbindingsstuk dat over twee buizen geschoven wordt om ze te verbinden, mof [3]
Voorbeelden van "sok" in een zin
- Na alle ellende met de banken en zakkenvullerij had de oude man net als in de crisistijd zijn geld maar weer in een ouwe sok onder het bed gestopt.
- Om te voorkomen dat ik blaren zou krijgen had ik een dubbele laag sokken aangedaan (Darn Tough en Injinji teensokken).
Etymologie
*[B] Waarschijnlijk via het e "socket" te herleiden tot het e "soc", "ploegschaar" en het Latijnse "succos" of "soccos"se. Mogelijk uiteindelijk van Keltische oorsprong.
Uitdrukkingen
- De sokken zetten — Weglopen
- Op zijn sokken winnen — Winnen zonder enige moeite te hoeven doen
- Een beer op sokken — Een groot en plomp iemand
- Een held op sokken — Een lafbek
- Van de sokken gaan — Tegen de grond gaan, flauwvallen, omvallen etc.
Vertalingen
Engelssock
Franschaussette
DuitsSocke, Strumpf
Spaanscalcetín, camiseta, manguito
Portugeesmeia
Russischносок
Turksçorap
Poolsskarpeta
Zweedssocka
Deenssok, strømpe
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek